Interview met geestelijk verzorger, Karlijn Bunnig

ROTTERDAM – Karlijn Bunnig, consulent geestelijke zorg bij Stichting Mara, is geïnterviewd voor het tijdschrift Geestelijke Verzorging. Hierin vertelt zij wat voor haar haar werk voor moeilijk te bereiken groepen zo waardevol maakt. U kunt hieronder het artikel lezen.

Soms denken ze dat ik Mara heet…
gesprek met Karlijn Bunnig

Ze is 33 jaar, humanist en consulent geestelijke zorg bij de Stichting Mara in Rotterdam. Zelf zegt ze dat ze voor deze ‘droombaan’ vier jaar geleden naar Rotterdam verhuisd is. Daarnaast werkt ze anderhalve dag per week in de gevangenis in Middelburg.

Droombaan
Een aantal jaren geleden, tussen mijn bachelor en master Humanistiek, heb ik in Zuid Afrika gewoond en gewerkt en heb daardoor een persoonlijke connectie met het werk voor mensen die leven met HIV. Ik heb van heel nabij meegemaakt wat het betekent om te leven met HIV en wat dat stigma met je kan doen. Met die ervaring ben ik de master gaan doen en daarin accent gezocht op de interculturele dialoog. Dus ervaring en studie komen in deze baan bij elkaar. Je werkt met groepen die moeilijk te bereiken zijn, dat vind ik uitdagend en afwisselend. Een van de projecten die ik doe is Positieve krachten bundelen, een vrijwilligersproject, waarin mensen met migratieachtergrond met HIV anderen steunen die ook met HIV leven. We trainen de vrijwilligers, koppelen ze aan anderen en houden in de gaten of het goed gaat. Het doel is zelfstigma reduceren en therapietrouw vergroten.

Dagelijks werk
Ik doe veel huisbezoeken, gesprekken op kantoor en onderhoud contact met mensen via WhatsApp. Om met mensen met HIV in contact te komen werken we samen met de HIV-poli van twee ziekenhuizen in de omgeving: het Maasstad- en het Erasmusziekenhuis. Zij kennen mij goed, vooral de verpleegkundig consulenten en sommige artsen: zij verwijzen naar mij door als ze het gevoel hebben dat mensen vastlopen of bijvoorbeeld therapie-ontrouw zijn. Ze zeggen dan: misschien moet je met Karlijn gaan praten. Ik krijg hun gegevens en bel ze op. Mij bellen is een te grote hindernis.
De contacten met de ziekenhuizen bestonden al uit de tijd dat je nog stierf aan de gevolgen van AIDS, er was toen een AIDS-huis, het Ron Wichmanhuis, waar mensen samen kwamen. Geestelijke verzorging is naderhand overgenomen door stichting Mara en het maatschappelijk werk door Humanitas. Die contacten met het ziekenhuis moet ik wel onderhouden: als het weer even stil is ga ik langs.

Projecten
Ik heb met verschillende doelgroepen te maken, de doelgroepen zijn natuurlijk niet statisch maar om een indruk te geven vertel ik graag over de drie hoofdgroepen. De 50+ witte homoseksuele mannen. Vele van hen zijn al jarenlang met deze stichting verbonden. Bij hen gaat het echt om presentie: aanwezig zijn bij hun levensgebeurtenissen of als ze even een luisterend oor nodig hebben: langdurig contact. Zij komen iedere vrijdag samen om met elkaar te eten. Ik haak daar af en toe aan, de begeleiding gebeurt verder door vrijwilligers. Nu in de coronatijd wordt in deze groep veel gesproken over toen: herbelevingen uit de AIDS tijd, mannen in maanpakken, angst voor besmetting, onzekerheid, de isolatie en de afzondering. Bij een enkeling komt ook naar boven: er is nu zoveel aandacht voor corona, terwijl er voor AIDS/HIV nog altijd geen vaccin is.
Een project dat ik zelf ben begonnen is The Group, voor jonge migranten mannen die seks hebben met mannen onder de 35 jaar met HIV. Je noemt dat geen homoseksuelen, omdat een aantal van die mannen zichzelf niet zo identificeren. Je wilt niemand uitsluiten. Het gaat hier om hoogopgeleide mannen voornamelijk uit Suriname en Nederlandse Antillen. Ze werden in eerste instantie aangemeld voor het project positieve krachten bundelen. Maar ik hoorde steeds hetzelfde verhaal: ze zijn naar Nederland gekomen voor de vrijheid en om iets van het leven te maken. Die maakbaarheid combineerden ze met de drang om zichzelf te bewijzen en zich vrij te maken van de cultuur van afwijzing. Het oplopen of krijgen van HIV doet afbreuk aan het gevoel van maakbaarheid. En daar komt de confrontatie met sterfelijkheid terwijl je in de twintig bent nog bij. Ik heb deze mannen bij elkaar gebracht en voorzien van een vrijwilliger die al wel goed met HIV kan leven. Nu na anderhalf jaar is het een gespreksgroep die iedere maand samen komt: ik zorg voor eten en we bespreken allerlei thema’s. Hierin vinden zij veel herkenning en acceptatie. Ze zijn tegelijk kwetsbaar en krachtig: ze zijn enorm trots geworden en leveren nu uit eigen gelederen vrijwilligers om de nieuwkomers te begeleiden.
De derde groep zijn de heteroseksuele vrouwen die op een andere manier stigmatisering ervaren: kleine beurs, klein netwerk dat niet weet dat ze HIV hebben, schaamte, angst om de liefde aan te gaan. Het is een ziekte die je krijgt uit liefde of uit het geven van vertrouwen. Vertrouwen dat wordt beschaamd. Of uit een traumatische ervaring zoals verkrachting, waarmee ook het vertrouwen in de mensheid verdwijnt. Deze vrouwen zie ik ook via het ziekenhuis. Ze hebben vaak behoefte om individueel te praten of 1 op 1 een vrijwilliger te ontmoeten. De eerste paar keer doe ik dat in een aantal gevallen zonder het over HIV te hebben, om de band op te bouwen. Soms organiseer ik ontmoetingsmomenten, maar dan regent het ’s ochtend afmeldingen. Wat als iemand me kent? Nu zorg ik voor een vrouwen verwen dag, massage, pedicure, manicure. De vrouwen komen om een andere reden samen, maar tussen de bedrijven door kan gepraat kan worden. Thema’s hier zijn ook therapietrouw, gebrek aan vertrouwen in de westerse medische wetenschap: je wordt eerst zieker door de medicijnen. Maar ook: hoe vertel je het aan anderen, of vertel je het niet? We bespreken die afweging, de strijd.
Ten slotte ben ik nog betrokken bij de roze ouderen. Voor hen hebben een we een maatjesproject. Vrijwilligers met lhbti achtergrond bezoeken roze ouderen en ik houd daar de vinger aan de pols.

Verwachtingen
De functie van consulent geestelijke zorg is vanuit de katholieke achtergrond in het maatschappelijk activeringswerk uitgedacht. Ik ben ook hier een vreemde eend in de bijt: de enige geestelijk verzorger. De stichting doet projecten die niemand anders doet, voor mensen die buiten de boot vallen. Met het idee dat je het kortstondig doet en het daarna loslaat. Dat doe ik in zekere zin ook door mensen op te leiden en daarna in te zetten voor die projecten.
Niet iedereen die bij mij op bezoek komt weet wat ik doe. In het ziekenhuis wordt tegen ze gezegd: je moet eens met Karlijn praten. Er wordt niet bij gezegd dat ik geestelijk verzorger ben. De term is onbekend dus benoemen heeft geen zin. Soms zeggen ze: ‘je bent zo’n goede vriendin’. Dat is niet de bedoeling, soms is dat een probleem. Ik vraag me dan soms af of ik het goed heb aangepakt. In de gevangenis waar ook werk – in Middelburg – is het veel duidelijker. Daar ben ik een functionaris, die weliswaar ook iets van zichzelf laat zien, maar altijd instrumenteel. Met de doelgroep waar ik hier mee werk is dat wat je zelf inzet veel minder afgebakend en duidelijk.

Toekomst
Eigenlijk snap ik niet dat er zoveel geestelijk verzorgers zijn die niet gespecialiseerd zijn in een onderwerp. Ik merk dat mijn gesprekspartners makkelijker praten als ze doorkrijgen dat ik ze versta en ze op een andere manier beluister. Ik weet waar het over gaat en ben ook steeds bezig mijn kennis op peil te houden: over medicatie en overdraagbaarheid van de ziekte etc. Ik zie het ook als mijn taak om nieuwe informatie in de samenleving te delen. Het zou fijn zijn als iedereen op  de hoogte is dat als het virus niet te detecteren is, iets wat gebeurt bij therapietrouw, dat je de ziekte niet kan overdragen, ook niet bij onveilige seks. Dit doen we bijvoorbeeld door met alle bij HIV betrokken organisaties eenmaal per jaar rond wereld-aids dag een campagne te voeren. We bieden dan op straat testen aan en lichten mensen voor. Een ander voorbeeld: het maken van fietszadelhoesjes met daarop de tekst: ‘durf jij op mij te rijden? Stop HIV-stigma’, om op een prikkelende manier aandacht te vragen. Voor de geestelijk verzorging zie ik dus toekomst in specialisatie: alles weten – voor zover dat kan- wat betrekking heeft op je doelgroep en daarmee voor je mensen gaan staan. Daarnaast geloof ik ook in lotgenotencontact: gesprekken tussen lotgenoten zijn helend.
Een andere groep voor wie ik dit soort aandacht me voor kan stellen zijn bijvoorbeeld dakloze jongeren. Als ik hoor hoe je als jongere kunt verdwijnen in het systeem en de instituten, dan lijkt het me fantastisch dat er iemand is die meer in jou ziet dan alleen het feit dat je geen dak boven je hoofd hebt. Geestelijk verzorgers zijn gespecialiseerd in het zien van de mens achter het probleem. Een tweede groep waaraan ik denk is de transgenders. Alle gesprekken daar, bij de genderpoli, zijn onderdeel van het traject, waardoor wat je zegt van invloed kan zijn op wel of geen voortgang. De mogelijkheid om je twijfel uit te spreken is daardoor beperkt. Het lijkt me een uitdaging om daar als geestelijk verzorger aan die kant van het proces een bijdrage te leveren.

Professionele vriendin?
Het is een vraag hoe mijn gesprekspartners mij uiteindelijk zien. Soms denken ze dat ik Mara heet. Soms corrigeer ik dat, soms laat ik dat zo. Ik word ook door het ziekenhuis ingezet voor mensen waar zij zelf geen contact mee krijgen, dan wordt het een soort bemoeizorg, waarbij de agenda van de ander altijd leidend blijft. Het is een doelgroep die soms moe is van hulpverlening en van instellingen. Door me bijna niet professioneel op te stellen, worden gesprekken mogelijk. Mijn professionaliteit zit in mijn vermogen aan te sluiten. Waar we het over zouden moeten hebben laat ik vaak los om te zien waar het gesprek heen gaat en waar de ander het over wil hebben. Ik ervaar dit werk soms als spelen. Spelen met de vragen die op dit moment opkomen, zonder dat de uitkomst hoeft vast te staan. Daarnaast is de inbedding in de stichting voor mij heel belangrijk: voor de organisatie en om een veilig vertrekpunt te hebben. Voor mij zou dit werk buiten de stichting om niet mogelijk zijn.